Ga direct naar:

Provinciale agrarische landschapsbeheertypen en regionale beheerpakketten

  • Agrarisch beheertype: A01.01 Weidevogelgebied   
    Agrarisch beheerpakket: A01.01.04c.Ut Legselbeheer met hoge dichtheid weidevogels
  • Agrarisch beheertype: A01.02 Akkerfaunagebied      
  • Agrarisch beheertype: A01.03 Ganzenfoerageergebied            
    Agrarisch beheerpakket: A01.03.02.Lb Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen.
  • Agrarisch beheertype: A01.04 Insectenrijke graslanden          
    Agrarisch beheerpakket: A01.04.01.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal
    Agrarisch beheerpakket: A01.04.02.Lb Insectenrijke graslandranden Roerdal
  • Agrarisch beheertype: A01.05 Bever foerageergebied               
    Agrarisch beheerpakket: A01.05.01.Lb Foerageerrand bever
  • Agrarisch beheertype: A02.01 Botanisch waardevol grasland
  • Agrarisch beheertype: A02.02 Botanisch waardevol akkerland

Beschrijving regionale agrarische beheerpakketten

Agrarisch beheerpakket A01.01.04c.Ut: Legselbeheer met hoge dichtheid weidevogels

Instapeisen:

  1. De beheereenheid is gelegen in een door Gedeputeerde Staten van Utrecht in het natuurbeheerplan aangewezen gebied.
  2. De beheereenheid bestaat uit grasland.
  3. De beheereenheid is ten minste 0,5 ha groot.
  4. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01

Beheereisen:

  1. De beheereenheid wordt tijdens het broedseizoen een of enkele malen afgezocht op aanwezige legsels, welke worden gemarkeerd.
  2. De beheereenheid wordt niet beweid.
  3. Indien een perceel grasland wordt gemaaid of anderszins bewerkt, wordt een enclave van tenminste 25m2 om de aanwezige nesten gevrijwaard van alle landbouwkundige werkzaamheden.
  4. Op de totale oppervlakte van de beheereenheden waarop in een beheerjaar het onderhavige beheerpakket wordt uitgevoerd, wordt een getrapt maaibeheer uitgevoerd volgens onderstaande voorwaarden:
    a. de eerste maaibeurt vindt niet vóór 1 mei en niet later dan 6 mei plaats, waarbij ten minste 20% van die totale oppervlakte wordt gemaaid;
    b. de tweede maaibeurt vindt niet vóór 8 mei en niet later dan 15 mei plaats, waarbij maximaal 60% van die totale oppervlakte wordt gemaaid;
    c. de derde maaibeurt vindt niet vóór 17 mei en niet later dan 23 mei plaats, waarbij ten minste 20% van die totale oppervlakte wordt gemaaid.
  5. Tussen elke maaibeurt zit een periode van ten minste één week.
  6. Van de gevonden nesten wordt door de begunstigde een nestkaart bijgehouden. Na afloop van het broedseizoen worden deze gegevens door de begunstigde digitaal ter beschikking gesteld aan Gedeputeerde Staten.

Varianten:

A01.01.04c1.Ut: Legselbeheer op grasland met 150 tot 200 broedparen per 100 hectare.
A01.01.04c2.Ut: Legselbeheer op grasland met 200 tot 300 broedparen per 100 hectare.
A01.01.04c3.Ut: Legselbeheer op grasland met meer dan 300 broedparen per 25 hectare.

Agrarisch beheerpakket A01.03.02.Lb: Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen.

Instapeisen:

  1. De beheereenheid is een perceel grond, welk minimaal 0,5 hectare groot is en gelegen binnen de begrenzing van de aangegeven zoekgebieden in het beheerplan voor de overzomerende Grauwe gans in Limburg.
  2. De beheereenheid bestaat uit bemest grasland.
  3. Er dient op de beheereenheid in het foerageerseizoen te allen tijde aantrekkelijk gras voor ganzen aanwezig te zijn. Onder aantrekkelijk gras wordt verstaan: gras met een lengte van 5 tot 15 cm. Er dient op geen enkele plaats binnen het foerageergebied gras met een lengte van meer dan 30 cm aanwezig te zijn, tenzij dit niet volgens de goede landbouwpraktijk voorkomen kan worden.
  4. Op de beheereenheid mogen geen ganzen verjaagd worden. Overige dieren die schade veroorzaken mogen wel ver- en bejaagd worden, mits de ganzen niet verstoord worden. Het uitgangspunt is zoveel mogelijk ganzen op de beheereenheid te krijgen en te behouden.

Beheereisen:

  1. De beheereenheid dient 3 keer per jaar gemaaid of gebloot te worden. Dit dient niet volvelds te worden gedaan om altijd kwalitatief, voldoende gras aan te kunnen bieden.
  2. Overige werkzaamheden die de graskwaliteit verbeteren, maar het foerageren op korte termijn belemmeren, dienen in gedeeltes uitgevoerd te worden. (vb: slepen van grasland, bemesten, bloten, oogsten). Onder normale weersomstandigheden dient te allen tijde geschikt gras aanwezig te zijn.
  3. Indien de grasgroei het toelaat kan er geweid worden. Het vee mag niet langer dan 4 weken op een perceel lopen. Het totale perceel mag ingedeeld worden in kleinere percelen om de dieren te laten omweiden. Hierbij dient de beweiding in dienst van het beheerdoel te staan. Om ganzen niet te verstoren dient de beweiding van 1 juli tot en met 30 september plaats te vinden met maximaal 4 GVE per hectare op enig moment. Dit geldt op perceelsniveau.
  4. Indien er een maaisnede wordt geoogst of de graasdieren omgeweid worden dient het te maaien perceel of het perceel waarin het vee wordt omgeweid getaxeerd te worden. De schade zal middels de grashoogtemeter opgenomen worden.
  5. Onkruiden dienen pleksgewijs bestreden te worden.
  6. Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met drijfmest bemest.
  7. Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met kunstmest bemest.
  8. Indien er op plekken minder smakelijke grassen voorkomen of door vertrapping het gras verdwenen is, dienen deze plekken doorgezaaid te worden zodat er weer aantrekkelijk eiwitrijk gras ontstaat.

Administratieve verplichtingen:

  1. Ondernemers houden op perceelsniveau een grasland logboek bij dat wordt aangeleverd door de projectleider en maandelijks wordt teruggestuurd naar de projectleider.

Aanvullende verplichtingen

  1. Elk jaar vindt er een evaluatie plaats of de doelen zijn gehaald en kunnen de broed- en opgroeilocaties anders ingedeeld worden.
  2. Op of aanmerkingen vanuit de projectleider worden opgevolgd.
  3. De percelen worden ter beschikking gesteld aan alle activiteiten die aan het project gerelateerd zijn (bijvoorbeeld tellingen, taxaties en beoordelingen). 

Agrarisch beheerpakket A01.04.01.Lb: Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal

Instapeisen:

  1. De beheereenheid bestaat uit een perceel grasland van minimaal 0,2 hectare groot.

Beheereisen:

  1. De graslanden worden gemaaid conform de beheereisen van de betreffende variant. Buiten de aangegeven periodes is maaien niet toegestaan.
  2. Het grasland mag niet gescheurd, gefreesd, geploegd of heringezaaid worden.
  3. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van jacobskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.
  4. Beweiding is toegestaan in de periode 15 september tot 1 januari met maximaal 2 GVE per hectare. Buiten deze periode is beweiding niet toegestaan.

Varianten:

A01.04.01a.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Basis

  1. De gehele beheereenheid wordt ieder jaar in de periode van 1 mei tot 1 juni gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd.
  2. Ieder jaar wordt 75 % van de beheereenheid in de periode van 15 september tot 1 januari gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd.
  3. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.

 A01.04.01b.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Plus

  1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de periode van 15 september tot 1 januari, waarbij het maaisel wordt afgevoerd.Het daaropvolgende jaar wordt de andere 50% van de beheereenheid gemaaid in de periode 15 september tot 1 januari, waarbij eveneens het maaisel wordt afgevoerd.
  2. Bemesting is niet toegestaan, met uitzondering van instandhoudingsbemesting met kalk of ruige mest, uitgezonderd kippenmest.

 Agrarisch beheerpakket A01.04.02.Lb: Insectenrijke graslandranden Roerdal

Instapeisen:

  1. De beheereenheid bestaat uit grasland en grenst aan een wegberm, een watergang of aan opgaande houtachtige begroeiing.
  2. De beheereenheid is minimaal 50 meter lang en tussen de 5 en 10 meter breed

Beheereisen:

  1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de periode van 15 september tot 1 januari, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Het daaropvolgende jaar wordt de andere 50% van de beheereenheid gemaaid in de periode 15 september tot 1 januari, waarbij eveneens het maaisel wordt afgevoerd. Buiten de aangegeven periode is maaien niet toegestaan.
  2. Het grasland mag niet gescheurd, gefreesd, geploegd of heringezaaid worden.
  3. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van jacobskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.
  4. Beweiding is niet toegestaan.
  5. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht. 

Agrarisch beheerpakket A01.05.01.Lb: Foerageerrand Bever

Instapeisen:

  1. De foerageerrand heeft een minimale breedte van 10 meter, en een maximale breedte van 20 meter (gemeten vanaf de waterloop landinwaarts) met een minimale lengte van 50 meter
  2. De foerageerrand grenst aan een waterloop waar recentelijk het voorkomen van één of meerdere bevers is aangetoond of bestaat uit potentieel leefgebied voor deze soort. Deze leefgebieden staan beschreven in het Stimuleringsplan.
  3. De foerageerrand grenst aan gras- of akkerlan
  4. De foerageerrand bestaat na 6 jaar uit een ruige of moerassige vegetatie. Verspreide opslag van struiken en jonge bomen is gewenst omdat dit in de winter stapelvoedsel voor de bever is.

Beheereisen:

  1. Het tegengaan van bosvorming door eenmaal per zes jaar de grootste bomen te kappe
  2. Bij afsluiten van de overeenkomst ook een vrijstelling van de meldings- en herplantplicht van de Boswet aanvragen bij de Dienst Regelingen.

Varianten:

A01.05.01.Lb Foerageerrand Bever

Profiel toegang

Het portaal elders op het internet